— Prejudiciële vragen —

De hierna volgende tekst behoort tot het OPENBAAR DOMEIN

CONCLUSIE

I.V.M.
DE STRIJDIGHEID VAN DE WET VAN 26 JULI 1962 (INZONDERHEID DE ARTIKELEN 8 EN 16)
MET DE ARTIKELEN 10, 11, 15, 16, 22 EN 23 VAN DE GRONDWET EN ANALOGE BEPALINGEN
VAN HET EVRM

A. INLEIDING

Er wordt te dezen opgeworpen dat de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte (hierna : de wet van 26 juli 1962)  ongrondwettelijk is en bijgevolg niet mag toegepast worden. De wet van 26 juli 1962, en inzonderheid de artikelen 8 en 16 van die wet, zijn inderdaad strijdig met de artikelen 10, 11, 15, 16, 22 en 23 van de Grondwet :

1. Omdat de provisionele vergoeding wordt vastgesteld bij wijze van ruwe schatting en niet op grond van een deskundigenverslag (schending van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het EAP EVRM);

2. Omdat een hogere of latere onteigeningsrechter, die het onteigende goed niet heeft kunnen bezichtigen, de onteigeningsvergoeding, vastgesteld door een lagere of vroegere onteigeningsrechter die dat wél heeft kunnen doen, mag verminderen (schending van de artikelen 10,11 en 16 van de Grondwet, van artikel 6 van het EVRM en van artikel 1 van het EAP EVRM);

3. Omdat de onteigenaar - naar analogie met artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 - niet altijd, behalve in geval van tergend en roekeloos geding, veroordeeld wordt tot de kosten van het onteigeningsgeding (schending van artikel 1 van het EAP EVRM en dus van artikel 16 van de Grondwet);

4. Omdat de wet van 26 juli 1962, door hetgeen voorafgaat, in haar geheel op radicale wijze ongrondwettelijk is en niet mag toegepast worden.

De artikelen 10, 11, 15, 16, 22 en 23 van de Grondwet moeten genomen worden in samenhang met de artikelen 1, 6 en 14 van het EVRM, met artikel 1 van het EAP EVRM en met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.

Er wordt dus een schending opgeworpen, door de wet van 26 juli 1962, van verschillende grondrechten die op geheel of gedeeltelijk analoge wijze zijn gewaarborgd in een bepaling uit titel II van de Grondwet en in een bepaling van Europees of internationaal recht. Het Grondwettelijk Hof heeft nog geen uitspraak gedaan op vragen of beroepen met een identiek onderwerp. Men kan niet stellen dat de bepalingen uit titel II van de Grondwet klaarblijkelijk niet geschonden zijn.

Hét grote probleem is de mogelijkheid voor de onteigenaar om - ook voor het hof van beroep - op grond van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek zijn vordering uit te breiden of te wijzigen, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

In de loop van de behandeling van de vordering tot herziening is inderdaad ook artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek van
toepassing (Antwerpen, 28 november 2006, NJW 2007, p. 513 en L. BELVA, A. COENRAETS, & G. BELVA, L'expropriation pour cause d'utilité publique, Brussel, Larcier, 1980, nr. 441, p. 90). Deze uitbreiding van de vordering kan zelfs geschieden in hoger beroep (Cass., 4 maart 1988, Arr. Cass., 1987-1988, p. 874). Het gevaar bestaat dus dat de onteigenaar pas voor het hof van beroep, lang na de afbraak van het onteigende goed, het échte bedrag bekendmaakt dat hij van de onteigende wil terugvorderen.

In een zaak (uiteindelijk behandeld in Cass., 18 juni 1998, C.96.0015.N, Arr. Cass., 1998, 323; Pas., 1998, I, 323 en EHRM, 3 november 2005, Mariën t. België) stelde de vrederechter de provisionele vergoeding vast op 7.200.000 BEF (aanbod van de onteigenaar) en de voorlopige onteigeningsvergoeding op 8.960.770 BEF. In de dagvaarding in herziening, die melding maakte van de verbouwing van het onteigende goed zonder geldige bouwvergunning, vroeg de onteigenaar om de definitieve onteigeningsvergoeding vast te stellen op de som van 7.124.745 BEF. De Rechtbank van eerste aanleg stelde, na de afbraak van het goed, de onteigeningsvergoeding vast op het bedrag van 8.692.978 BEF. Voor het Hof van beroep vorderde de onteigenaar,
wijzende op de afwezigheid van bouwvergunning en de vervanging van een wolfsdak door een zadeldak, dat de
definitieve onteigeningsvergoeding zou vastgesteld worden op de som van 5.494.318 BEF. Het Hof van beroep stelde de definitieve onteigeningsvergoeding vast op 6.308.694 BEF. De onteigende kon zich hiertegen niet meer verdedigen. Een
deskundige had de bewering van de onteigenaar nochtans gemakkelijk kunnen weerleggen door het oude gebinte van het dak te onderzoeken.

B. EERSTE PREJUDICIËLE VRAAG : ONGRONDWETTELIJKHEID VAN DE VASTSTELLING VAN DE PROVISIONELE VERGOEDING BIJ WIJZE VAN RUWE SCHATTING

Artikel 8 van de wet van 26 juli 1962 verplicht de vrederechter de provisionele vergoeding vast te stellen "bij wijze van
ruwe schatting". Volgens woorden.org - trefwoord "ruw" - betekent "ruw" : 3 ) niet precies, voorbeeld : "een ruwe
schatting", antoniem : nauwkeurig, synoniem : grof. [1] Een ruwe schatting is volgens het gewone spraakgebruik dus een niet precieze schatting.

De woorden "billijke ... schadeloosstelling" in artikel 16 van de Grondwet zijn enger dan de Franse woorden "juste ...
indemnité". De Franse woorden eisen dat de onteigeningsvergoeding billijk én volledig is. De Nederlandse woorden zouden niet eisen dat de onteigeningsvergoeding volledig is. Volgens de wil van de grondwetgever moet de Franse tekst de voorkeur krijgen boven de Nederlandse, die een gebrekkige vertaling van de eerste is. De schadeloosstelling van de onteigende moet dus volledig
zijn (advies van procureur-generaal DUMON voor Cass., 20 september 1979, Pas., 1980, I, 69, nr. 11, p. 88 en verwijzingen in voetnoot 61bis).

De onteigende heeft dus recht op een billijke en dus "juiste" vergoeding, wat volgens het Hof van Beroep te Brussel inhoudt dat het niet gaat om een vergoeding ex aequo et bono maar om een nauwkeurige en rechtvaardige vergoeding, die een integraal herstel van de geleden schade inhoudt, niet meer en niet minder (Brussel, 17 mei 2011, AR nr. 2008/AR/1062, op Juridat).
De vaststelling van de provisionele onteigeningsvergoeding, die de onteigenaar het bezit verleent van het onteigende goed,
"bij wijze van ruwe schatting"schatting, is strijdig met inzonderheid artikel 16 van de Grondwet.

C. TWEEDE PREJUDICIËLE VRAAG : ONGRONDWETTELIJKHEID VAN DE VERMINDERING VAN DE ONTEIGENINGSVERGOEDING - DOOR EEN LATERE RECHTER - NA DE AFBRAAK VAN HET ONTEIGENDE GOED

Artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 is ongrondwettelijk omdat dit artikel niet verbiedt (leemte) dat de rechtbank van eerste aanleg en later het hof van beroep, wanneer zij als herzieningsrechters uitspraak doet over de definitieve onteigeningsvergoeding,
het bedrag van de door de vrederechter -  die het onteigende goed samen met een deskundige zéker bezocht heeft
- vastgestelde onteigeningsvergoeding vermindert, wanneer zij, ten gevolge van een daad van de onteigenaar (afbraak
van het onteigende goed), het onteigende goed niet meer kunnen bezoeken (plaatsopneming) of niet meer kunnen laten bezoeken door een deskundige (deskundigenonderzoek), zelfs niet indien de onteigenaar, na de afbraak van het onteigende goed, zijn vordering wijzigt bij toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, vermits aldus het recht op een eerlijk proces van de onteigende wordt geschonden, en er inzonderheid sprake is van een wettelijke bepaling die, zonder afdoende
rechtvaardiging, de onteigende berooft van de mogelijkheid bijzonder belangrijke bewijzen voor te leggen aan de rechter die kennis neemt van een burgerlijke betwisting, hetgeen neerkomt op een schending van het recht van toegang tot de rechter,
gewaarborgd door artikel 6 van het ERVRM (EHRM, 28 april 2009, K.H. en anderen t. Slowakije, inzonderheid §§ 66 - 67) en deze onmogelijkheid het gevolg is van het feit dat de overheden niet tijdig, binnen een redelijke termijn, snel en op een gepaste en consistente manier gehandeld hebben om de rechter van de onteigende gaaf te houden (EHRM, 15 juni 2006, Zlínsat, spol. s r.o. t. Bulgarije, §§ 97-98, EHRM, 14 mei 2013, N.K.M. t. Hongarije, § 62; EHRM, 11 februari 2014, Burczy t. Polen, § 40), terwijl de onteigenende overheid beschikte over alternatieve maatregelen om zelfs de eventueel  hoogdringend noodzakelijke snelle afbraak te compenseren.

Deze alternatieve maatregelen zijn - inzonderheid - het tijdig opstarten van de onteigeningsprocedure en in ieder geval de handelwijze die erop neerkomt dat de onteigenaar, naar analogie van de regeling vervat in artikel 7bis, derde lid, laatste zin ("De partijen worden verzocht al hun middelen uiterlijk tijdens deze plaatsopneming te doen kennen") van de Jachtwet van 28 februari 1882, ter vrijwaring van het recht van de onteigende op een eerlijk proces vóór het begin van de opdracht van de deskundige aangesteld door de vrederechter tijdens de eerste plaatsopneming alle elementen die hij in de loop van het geding naar voor wens te brengen, zoals feiten, omstandigheden, eisen, vorderingen, tegeneisen, tegenvorderingen, excepties, bewijzen, tegenbewijzen, middelen, argumenten, stellingen, beweringen, opmerkingen, enzovoort, aan de andere partijen, aan de rechter én
aan de deskundige mededeelt, zodat de deskundige met al deze elementen en de antwoorden van de partijen daarop rekening kan houden en waardoor de onteigenaar bijgevolg afziet van de toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek.

D. DERDE PREJUDICIËLE VRAAG : ONGRONDWETTELIJKHEID  VAN DE VEROORDELING VAN DE ONTEIGENDE IN DE GERECHTSKOSTEN (BEHALVE IN GEVAL VAN TERGEND EN ROEKELOOS GEDING)

Het EHRM heeft in verband met artikel 1 van het EAP EVRM beslist : "Daaruit volgt dat de feitelijke onteigening een praktijk is die de administratie toelaat een goed in bezit te nemen en de gedaante ervan te wijzigen, zonder de eigenaar voorafgaandelijk
schadeloos te hebben gesteld. Het zijn dus de rechtsonderhorigen die een vordering tot schadeloosstelling moeten inleiden en, daardoor, gerechtskosten moeten maken om hun rechten te laten gelden, terwijl inzake formele onteigening de procedure opgestart wordt door de onteigenende administratie, die in beginsel de gerechtskosten moet dragen bij afwezigheid van een minnelijke regeling" (EHRM, 27 mei 2010, Sarıca en Dilaver t. Turkije, § 44 , vergelijk met  EHRM, 16 april 2013, Rolim Comercial, S.A. t. Portugal, § 62). De wet van 26 juli 1962, inzonderheid artikel 16, schendt bijgevolg artikel 1 van het EAP EVRM.

E. VIERDE PREJUDICIËLE VRAAG : ONGRONDWETTELIJKHEID VAN DE WET VAN 26 JULI 1962 IN HAAR GEHEEL EN
VERBOD ZE TOE TE PASSEN

De wet van 26 juli 1962 is dermate onverenigbaar met de artikelen 10, 11, 15, 16, 22 en 23 van de Grondwet, met de artikelen 1, 6 en 14 van het EVRM, met artikel 1 van het EAP EVRM en met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, dat zij in haar geheel niet mag toegepast worden. Een onteigeningswet, zoals de wet van 26 juli 1962, die voorschrijft dat de rechtspleging die moet leiden tot de ontzetting uit de eigendom en uit het bezit moet geschieden op een wijze die strijdig is met artikel 16 van de Grondwet, artikel 6 van het EVRM en artikel 1 van het EAP EVRM, is radicaal strijdig met deze bepalingen. Deze vaststelling wordt versterkt door het feit dat de gelaakte onteigeningswet toelaat dat de onteigende zijn fundamenteel bewijselement - het onteigende goed - kan verliezen, zonder dat dit verlies gecompenseerd of gemilderd wordt door alternatieve maatregelen.

Er bestaat ernstige twijfel over de verenigbaarheid van de wet van 26 juli 1962 met een van de in artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde regels of artikelen van de Grondwet (de artikelen van titel II " De Belgen en hun rechten ", en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet).

Er is geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Grondwettelijk Hof aanhangig.

Het provisioneel vonnis van de vrederechter heeft geen voorlopig karakter : na de uitspraak van dit vonnis wordt het onteigende goed meestal afgebroken of wordt de gedaante ervan op onherroepelijke wijze veranderd. Daardoor kan de onteigende in een later stadium van de procedure (herziening voor de rechtbank van eerste aanleg en later voor het hof van beroep) geen dienstige onderzoeksmaatregelen, zoals een plaatsopneming en een deskundigenonderzoek, meer vragen aan de rechter. De eventuele wederopbouw van het onteigende goed laat niet toe het oorspronkelijke goed opnieuw aan een deskundigenonderzoek
te onderwerpen.

Het vonnis van de vrederechter  heeft geen betrekking op een procedure ter beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis.

Bijgevolg is de Rechtbank er toe gehouden  ten minste de vierde aangevraagde prejudiële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. En aangezien de drie eerste prejudiciële vragen onlosmakelijk verbonden zijn met de vierde, moeten de vier aangevraagde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof gesteld worden.

OM DEZE REDENEN,

BEHAGE HET DE RECHTBANK :

Alvorens recht te doen aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen :

« 1. Schendt  artikel 8 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake
onteigening ten algemenen nutte, al dan niet gelezen in het licht van de artikelen 10, vijfde lid, en 12, tweede lid, van dezelfde wet, door te bepalen, wanneer de onteigening niet geboden is door een geval van overmacht of een onvoorziene noodzaak, dat de vrederechter op de dag die voor de verschijning ter plaatse is bepaald het bedrag van de provisionele vergoedingen - door de storting, in de Deposito- en Consignatiekas, van dewelke de onteigenaar bezit neemt van het onteigende goed - bepaalt
bij wijze van ruwe schatting en zonder te beschikken over de door de deskundige op te maken plaatsbeschrijving en ook niet over het verslag van deze deskundige dat de beredeneerde raming van de door door deze laatste voorgestelde vergoeding alsmede alle dienstige gegevens voor de vaststelling van die vergoeding bevat, de artikelen 10, 11, 15, 16, 22 en 23 van de Grondwet, genomen op zichzelf of genomen in samenhang met de artikelen 1, 6 en 14 van het EVRM, met artikel 1 van het EAP EVRM en met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, doordat de vrederechter op de dag die voor de verschijning ter plaatse is bepaald het bedrag van de provisionele vergoedingen bij wijze van rume schatting moet bepalen en  de door de deskundige opgemaakte plaatsbeschrijving niet vroeger ter griffie moet worden neergelegd dan binnen vijftien dagen na de verschijning ter plaatse en de indiening van het verslag van de deskundige met zijn beredeneerde raming van de voorgestelde vergoeding niet vroeger moet plaatshebben dan binnen dertig dagen na de verschijning van de partijen ter plaatse, terwijl  een onteigende recht heeft, vóór
hij de heerschappij over of het bezit van het onteigende goed verliest, op een billijke, juiste, precieze, nauwkeurig bepaalde en dus volledige onteigeningsvegoeding - en een billijke schadeloosstelling in de zin van artikel 16 van de Grondwet in beginsel een
integraal herstel vereist van het geleden nadeel - en eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen, zoals de vaststelling van de hem toekomende onteigeningsvergoeding, recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, die niet overdreven kort mag zijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld ?

2. Schendt artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 21 van dezelfde wet en met van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre er niet in wordt voorzien dat een hogere of latere onteigeningsrechter die - ten gevolge
van de afbraak van het onteigende goed door de onteigenaar of van enige andere daad van de onteigenaar - met betrekking
tot het onteigende goed geen dienstige onderzoeksmaatregelen, zoals een plaatsopneming of een deskundigenonderzoek,
meer kan bevelen, het bedrag van de provisionele, voorlopige of definitieve onteigeningsvergoeding, vastgesteld door de laatste onteigeningsrechter die nog wel dienstige onderzoeksmaatregelen heeft bevolen of had kunnen bevelen, niet mag verminderen, de artikelen 10, 11, 15, 16, 22 en 23 van de Grondwet, genomen op zichzelf of genomen in samenhang met de artikelen 1, 6 en 14 van het EVRM, met artikel 1 van het EAP EVRM en met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, het algemeen
rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces, het beginsel van de toegang tot de rechter, het beginsel van de wapengelijkheid, het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het beginsel van de heerschappij van het recht en de fair play, het legaliteitsbeginsel inzake onteigeningen,

a ) doordat dit artikel de onteigende berooft - zeker wanneer de onteigenaar zijn vordering, zoals deze was uiteengezet in de inleidende dagvaarding, na de afbraak van het onteigende goed heeft uitgebreid bij toepassing van artikel 807 van het
Gerechtelijk Wetboek - van de mogelijkheid (aan de rechter onderzoeksmaatregelen te vragen teneinde) de nodige of nuttige bewijzen aan te brengen tot ondersteuning van zowel zijn eigen eis als zijn verweer tegen de vorderingen van de onteigenaar, terwijl eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is
ingesteld,

b ) doordat het artikel de onteigenaar toelaat de onteigening op het allerlaatste ogenblik door te voeren - ook al was de
onteigening reeds lang tevoren gepland - , terwijl de overheden, wanneer het eigendomsrecht op het spel staat, tijdig, snel, binnen een redelijke termijn en op een gepaste en consistente maniermoeten handelen,

c ) doordat  het artikel de onteigenaar niet verplicht (zelfs niet tot het leveren van een redelijke inspanning) om de snelle afbraak, volgend op de onteigening, te compenseren of te milderen door alternatieve maatregelen (bijvoorbeeld het tijdig opstarten van de gerechtelijke onteigeningsprocedure, het verzaken aan de toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, het
op definitieve wijze ineens te kennen geven van al zijn vorderingen, middelen, excepties, argumenten en opmerkingen uiterlijk tijdens de verschijning ter plaatse), terwijl de overheden, wanneer het eigendomsrecht op het spel staat, tijdig, snel, binnen een redelijke termijn en op een gepaste en consistente manier moeten handelen,

d ) doordat het artikel de onteigende van wie het onteigende goed niét werd afgebroken, enerzijds, en deze van wie het onteigende goed wél werd afgebroken, anderzijds, op gelijke wijze behandelt, zonder een objectief en zeker geen pertinent criterium te bepalen, terwijl  het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden wanneer het criterium voor het gemaakte onderscheid niet objectief is of  wanneer het criterium niet pertinent is,

e ) en doordat, wanneer het onteigende goed de onteigende tot woning strekte, zijn recht op genot van zijn woning en dus zijn recht op behoorlijke huisvesting en zijn recht op privéleven wordt aangetast, vermits zijn definitieve onteigeningsvergoeding op
willekeurige wijze - door hem te beroven van zijn enige of belangrijkste bewijselement - wordt vastgesteld, terwijl een inmenging in het genot van iemands woning evenredig moet zijn met het nagestreefde doel, er een redelijk evenwicht moet zijn tussen
de relevante strijdige belangen en er op de schouders van de eigenaar geen excessieve of exorbitante last mag gelegd worden ?

3. Schendt de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, en inzonderheid artikel 16 van die wet, gelezen in samenhang met artikel 1017, eerste lid en tweede
lid, van het Gerechtelijk Wetboek, met artikel 53, tweede lid, tweede zin, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970 en met artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, de artikelen 10, 11, 15, 16, 22 en 23 van de Grondwet, genomen op zichzelf of genomen in samenhang met de artikelen 1, 6 en 14 van het EVRM, met artikel 1 van het EAP EVRM en met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, doordat de wet van 26 juli 1962 geen bepaling bevat betreffende de veroordeling in de gerechtskosten, zodat artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is inzake onteigeningszaken op grond van deze wet, terwijl artikel
1 van het EAP EVRM eist dat inzake onteigeningen ten algemenen nutte de onteigenaar in beginsel, behalve eventueel in geval van tergend en roekeloos geding, altijd in de kosten moet worden verwezen ?

4. Schendt de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte in haar geheel, 1° door te bepalen dat de vrederechter het bedrag van de provisionele vergoedingen bepaalt bij wijze van ruwe schatting, 2° en/of door niet te bepalen dat een hogere of latere onteigeningsrechter na de afbraak van het onteigende goed het bedrag van de vergoeding, vastgesteld door de laatste onteigeningsrechter die nog wel dienstige onderzoeksmaatregelen heeft bevolen of had kunnen bevelen, niet mag verminderen, alsook 3° en/of door niet te bepalen dat inzake onteigeningen ten algemenen nutte de onteigenaar in beginsel altijd in de kosten moet worden verwezen, de
artikelen 10, 11, 15, 16, 22 en 23 van de Grondwet, genomen op zichzelf of genomen in samenhang met de artikelen 1, 6 en 14 van het EVRM, met artikel 1 van het EAP EVRM en met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en de algemene rechtsbeginselen vermeld in de vorige vragen, doordat het recht op een eerlijk proces en het recht op het ongestoord genot van zijn eigendom  van de onteigende worden geschonden, terwijl eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtigen recht heeft op een eerlijk proces en eenieder recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom, zodat de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte niet
mag toegepast worden, er bijgevolg op grond van die wet geen onteigeningen mogen doorgevoerd worden en de op grond van die wet doorgevoerde onteigeningen onregelmatig zijn ? » 

[1] https://www.woorden.org/woord/ruw

Rotselaar/Rumst, 24 december 2017

Luc Lamine & Alfons Mariën

luclamine@yahoo.com